(22) Met Maarten van Rossum Heer van Poederoyen en de rest van de wereld aktief in Oost-Friesland.
 

De jaren na het ondertekenen van het Verdrag van Gorcum 1928 en de opgelegde Vrede zijn voor onze Maarten van Rossum wat betreft wapengekletter relatief rustig. Echter de interne spanningen tussen de standen, steden en de Hertog Karel van Gelre nopen ertoe dat Maarten zich met interne kwesties in het Gelderse zelf moet bezig houden. Tevens is de tijd daar om de steden Nijmegen, Arnhem en Doesburg met een sterk garnizoen uit te rusten hetgeen al spoedig tot het gerucht aanleiding geeft dat Hertog Karel weer wat in zijn schild voert. Zou hij bij zijn overlijden Gelre aan de Koning van Frankrijk willen nalaten? Maar hij hield ook zijn blik gericht op de gebieden aan de rand van zijn territorium.  Jasper van Merwyck voor de Geldersen belast met Groningen helde over naar de Hervormingen en erger nog Van Merwyck toonde sympathie voor den Habsburger. In zijn plaats benoemde Karel van Gelre zijn bastaard zoon Jonker Karel van Gelre op 21 jarige leeftijd tot stadhouder in Groningen.

Omdat hij de jonge Karel in de ogen van pa (Karel van Gelre)  niet bereid is tegen ketters op te treden, maar zich bij de Groningers wel populair maakt, moet hij na vier jaar weer vertrekken (lees vluchten). Hij duikt later in de bronnen weer op in dienst van de Habsburgers in de stad Dantzig.

Over Oost-Friesland regeerde Graaf Enno welke in twist leefde met een zijner edelen Jonkheer Balthazar van Essens. Balthazar  kon het niet bolwerken tegen de Graaf en vluchtte naar Groningen en riep de hulp in van Hertog Karel van Gelre. Die zag daarin een goede gelegenheid  om ook Oost-Friesland in zijn macht te krijgen.

Tevens was Balthazar net als een Karel van Gelre een geduchte anti protestant. In ruil voor de Heerlijkheid Rosande bij Arnhem kreeg Karel de Heerlijkheid Essens in Oost-Friesland.

Dit moest hij dan wel gewapenderhand in bezit nemen, dus zond Karel van Gelre zijn veldoversten Meinard van Ham en Barend van Hackford  om Oost-Friesland in te lijven. Echter dit mislukte dus werd Maarten van Rossum van stal gehaald.  In 1533 trok hij aan het hoofd van een Geldersche krijgsmacht naar het Noorden. De winter was reeds ingevallen en dat kwam hem goed van pas. De moerassen en wateren waren dichtgevroren. De stad Leer werd stormenderhand ingenomen, geplunderd en in brand gestoken.

Het kasteel Pethum werd omsingeld. Maarten van Rossum dacht het kasteel zonder kanonnen te kunnen veroveren, maar dat viel tegen.  

De bezetting hield stand. Vervolgens rukt Maarten van Rossum op naar de stad Embden maar ook daar moet Van Rossum af deinzen. In een uiterste poging om toch nog wat van deze militaire aktie te maken werd het sterke kasteel Gretha, dat algemeen als  niet  inneembaar geacht werd, belegerd.

 Nu gebruikt Maarten wel zijn meegevoerde kanonnen ´de Kooperen Haan´ en de ´Roode Hond´. Spoedig werd er een bres geschoten  in de muren en werd de stormaanval geblazen. Onder de eersten die zich een weg baanden door de bres was Maarten van Rossum. Het kasteel moest zich overgeven.

Graaf Enno bedacht een list. Hij liet een groot deel van zijn troepen een inval doen in Groningen, waardoor Van Rossum genoodzaakt was terug te keeren. Spoedig daarop werden onderhandelingen begonnen die in mei 1534 resulteerden in een verdrag.  Maarten van Rossum voerde de onderhandelingen voor zijn meester, teekende ook namens hem het tractaat, dat zeer voordeelig was voor den Hertog Karel van Gelre. Toch heeft de oorlog hem op den duur groote nadeelen berokkend. De Groningers moesten de kosten dragen voor deze oorlog. Elke maand moesten zij 16000 goudguldens opbrengen. Dat verwekte een groote ontevredenheid, de bevolking dacht er aan zich onder bescherming van Karel V te stellen.

Maarten van Rossum hield het sterke slot te Lingen bezet en kon van daaruit de Groningers in bedwang houden.

Dit duurde echter maar voor enkele tijd want de Groningers kozen uiteindelijk toch voor Karel V en de Keizer zond zijn generaal George Schenk van Toutenburg, toen stadhouder van Friesland naar Groningen. Spoedig had Schenk de Gelderschen verslagen en Karel van Gelre werd tot den vrede gedwongen. Groningen en Drente waren voor goed voor hem verloren (1536). Maarten van Rossum heeft deze oorlog tegen Schenk in het Noorden niet meegemaakt. Maarten zat in het garnizoen in Nijmegen. Het broeide overal in Gelre.

 

verder, aflevering 23 terug, aflevering 21