(29)  Met Maarten van Rossum Heer van Poederoyen en de rest van de wereld en de brandschatting van Brabant.

Maarten van Rossum voerde zijn troepen (zomer 1543) naar Brabant. Met vrees en beving hoorden de bewoners van Brabant van zijn komst. Zij zagen ´van verre een duistere donderwolk, zwanger van onweder over de landen komen´. Terwijl Maria van Hongarije landvoogdes van de nederlanden haar vingers blauw mailde aan haar broer keizer Karel V voor geld en troepen, rukten de geldersen verder en verder op. René van Châlon kon zo gauw geen dam opwerpen en hield zich bezig met het recruteren van een troepenmacht. De troepen van Maarten van Rossum hadden vrij spel, de slagen vielen hard en verpletterend neer. Boxtel werd leeg geplunderd. De bevolking had haar bezittingen in de kerk gebracht, in de hoop dat die daar veilig waren, doch voor de soldaten was de heilige plaats geen belemmering. Ze roofden alles, wat er zich in bevond. Toen was ´s Hertogenbosch aan de beurt.

Van Rossum liet de stad opeisen. Het stadsbestuur had echter haar maatregelen genomen. De poorten werden gesloten, de wallen voorzien van geschut en door de burgerij en soldaten bezet. De grachten waren uitgediept. Op ´s Hertogenbosch zou de vijand zijn tanden stomp bijten, de stad zou zich verdedigen. Dat toonde het stadsbestuur door de heraut die de stad kwam opeisen van de wallen dood te schieten. Nu waren de rapen echt gaar. Het doden van een heraut was een grievende belediging die met bloed gewroken moest worden. Van Rossum wist echter wat hij waard was. Hij kende zijn krachten en overschatte die niet. Een kleine moeilijk te verdedigen stad te berennen, list te gebruiken, als muren en wallen een belemmering zouden vormen om in de vijandelijke stad te komen, de vijand op een dwaalspoor te brengen en dan bij verrassing een overval te wagen. Dat waren kansen die van Rossum wilde wagen. Doch zich te pletter lopen tegen een goed verdedigde stelling, weken lang voor een vesting te liggen met de kans dat zijn manschappen ontevreden werden, aan het muiten sloegen, daaraan dacht hij niet. ´s Hertogenbosch was van plan zich te verdedigen, het kreeg de kans niet. Van Rossum trok af, maar wee het omliggende land!

Het ter dood brengen van de heraut werd verhaald op de omwonende boeren. Het mooie welvarende dorp Vught met het daarbij gelegen kasteel ging geheel in vlammen op? De kronieken zijn niet eensluidend, lees maar.

Jonker Aert Heym, zoon van Jan is de meest bekende bewoner van het kasteel Maurick. Hij was ook schepen van Den Bosch, werd spoedig hoofschout en later legeraanvoerder van de Bossche en Meierijse militie in de strijd tegen de Geldersen.

In 1527 viel hij Gelderland binnen en verwoestte het stamslot te Poederoyen van zijn beruchte tegenstander Maarten van Rossum.
Toen Maarten van Rossum in 154
3 weer Brabant binnenviel met een grote troepenmacht verwoestte hij Vught en plunderde het dorp. Maar "Aert Heym behielt syn huys" bericht de kroniekschrijver. Hij had zich goed verschanst achter zijn diepe gracht en zijn hoge muren.

Het daarbij gelegen Karthuizer klooster werd geplunderd. Het in brand steken werd afgekocht voor de som van 700 gulden. Van Vught trokken de troepen naar het dorp Vlijmen waar de kerk geplunderd en in brand gestoken werd. Dan weer naar Boxtel, daar was niet veel meer te halen. Maar Van Rossum wist dat als je op een meelzak slaat, er altijd weer wit stof uit opvliegt. De bevolking werd geprest om 7000 gulden te betalen. Dat opleggen van brandschatting beviel Van Rossum. Een twintigtal dorpen moesten ieder een som opbrengen, o.a. Tilburg 4300 gulden, Oirschot 7000 gulden en Geldrop 200 gulden.

Eindhoven was niet van zins de schatting te betalen, het weigerde en werd nu door Van Rossum belegerd. Hij had het liever niet gedaan maar hij was er toe verplicht. Het voorbeeld van Eindhoven kon wel eens navolging vinden. Lang kon het stadje zich niet verdedigen. De bezetting was te zwak. Een paar maal werd een aanval afgeslagen, doch dan geeft Van Rossum bevel te blijven stormen tot men binnen de vesting was. Tegen deze aanval was het garnizoen niet bestand. De vijand drong naar binnen en nu werd het een woeste moordpartij. De gehele bezetting, ook de bevelhebber, jonker Daniël van der Aa, werd gedood, de stad werd leeggeplunderd.

Terwijl hij voor Eindhoven lag kreeg hij tijding dat er een afdeling ruiterij tot ontzet naderde. Inderhaast trok hij zijn ruiterij bijeen, reed de vijand tegemoet, overviel hen en dreef ze op de vlucht. Een groot aantal edelen werd daarbij gevangen genomen, die naar Arnhem gevoerd werden en tegen een hoog losgeld in vrijheid gesteld.

Helmond zou ook een beurt krijgen maar de bevelhebber Joost van Helmond beschikte over een garnizoen van drieduizend man. Van Rossum was niet van plan daar een teleurstelling te boeken. Plunderde  het omliggende land en trok nu naar Roermond waar hij in eigen gebied aankwam. Het leek wel of er over Brabant een vernielende wervelstorm gegaan was. Overal rokende boerderijen, platgebrande dorpen en gehuchten, verwoeste kastelen en leeggeplunderde kloosters. De soldaten van Van Rossum kwamen rijk beladen, hijgende onder de buit in Roermond aan. Een groot aantal gevangenen, meest hoog geplaatste personen, die hun geld waard waren, voerden ze met  zich mede.

Maar Karel V was reeds onderweg. De Turken liet hij links liggen. Hij was door de Landvoogdes overstelpt met klachten over de wandaden van Maarten van Rossum. Gelre was de splinter in het lichaam van het Rijk. Een doorn in het vlees die al te pijnlijk stak. 

 

verder, aflevering 30 terug, aflevering 28